Updates

Ontwikkelingsgericht werken

Wij mensen zijn net planten; we hebben ruimte nodig om te groeien. In een klein potje blijven we klein; in een iets grotere pot groeien we groter en zet je ons in de volle grond, dan kunnen we reusachtig worden. Niet iedereen wordt even groot; een paardenbloem zal nooit een eik worden. Dat is een gegeven, maar het doet er helemaal niet toe want allebei hebben ze zo hun waarde. En het principe blijft hetzelfde: zet een paardenbloem in een te klein potje, en je krijgt een zielig sprietje van 2 centimeter hoog, waar het misschien wel 30 had kunnen worden. We kunnen ‘m toeroepen en druk opleggen om duidelijk te maken dat-ie harder moet groeien, maar zolang we ‘m niet in de volle grond zetten, zal-ie nooit groter worden. Net als mensen; denk maar aan de ingebonden voetjes van Chinese vrouwen vroeger. Die raakten vervormd en werden niet groter dan een centimeter of 12.

Voor onze geestelijke gezondheid geldt hetzelfde als voor onze lichamelijke: we hebben ruimte nodig om onszelf te kunnen ontwikkelen. Hoe meer we op de overlevingsstand staan, hoe minder ruimte we hebben voor dingen als nieuwe informatie opnemen, nieuwe dingen uitproberen of zelfreflectie. Als we echt heel druk aan het overleven zijn, kunnen we nog weinig met feedback. ‘Opzouten met je geneuzel; ik kan niet anders dan wat ik doe’, denken we dan. Als we überhaupt ruimte hebben om te denken, want mogelijk krijgen we alleen nog een grom of snauw uitgeperst, of gaan we het contact gewoon maar helemaal uit de weg.

De mensen die ik in mijn werk tegenkom, zitten allemaal klem. Ze gaan gebukt onder schulden, problematische woonruimte, ongezonde relaties, trauma’s en nog heel, heel veel andersoortige ellende. Ze zijn zo druk met overleven dat er geen enkele ruimte meer is voor de visie of gedachtegang van een ander. Daarom zijn ze ook vaak hulpverleningsmoe; wie zit nog te wachten op frisse tips en adviezen van de zoveelste goedbedoelende professional, als je het gevoel hebt dat je stikt en niet meer weet hoe je overeind moet blijven? Dus: een snauw of een grom of terugtrekgedrag, en de hulpverlening zit tegen een zorgmijder aan te kijken, of iemand met een agressie- of emotieregulatieprobleem, of allebei. Natuurlijk mogen we zeggen dat zulk gedrag helemaal niet helpt om verder te komen in het leven, maar het punt is dat die ander dat ook wel weet. Dat is hem allang vaker verteld, namelijk. Hij kan alleen niet anders. Deze mensen zitten in een veel te klein geestelijk potje, dat ook nog eens aan alle kanten wordt ingedrukt. Om te kunnen groeien hebben ze ruimte nodig en daar kunnen ze zelf niet voor zorgen, anders hadden ze dat allang gedaan. Mensen die dat zelf kunnen, komen namelijk niet in hulpverleningsland terecht.

Als we met zo iemand op een gezonde manier willen starten, is dat dus wat we het eerste doen: we creëren ruimte voor die ander. Daar zijn allerlei manieren voor en het kost teveel tijd om hier allemaal op te schrijven (het paste nog maar net in een boek), maar ik kan het wel samenvatten: als het leven je klemgezet heeft, dan heb je de boodschap gekregen: ‘Jij telt niet mee’. Die boodschap krijgen we allemaal weleens, want zo is het leven. Ik bedoel; als iemand voordringt bij de bakker, dan zegt-ie eigenlijk al: ‘Ik ben belangrijker dan jij dus ik mag vóór’. En dat betekent: ‘Jij telt niet echt mee’. Nou is dat irritant, dat voordringen, maar we kunnen het wel verdragen en ons leven gaat door. Alleen sommige mensen krijgen die boodschap heel heftig of heel langdurig. Denk aan traumatische ervaringen zoals een natuurramp, of misbruik of mishandeling. Of als mensen elke dag de boodschap krijgen dat ze waardeloos zijn. Nou, dan blijft er niet veel ruimte meer over. Daarom is pesten ook zo beschadigend dat het soms letterlijk fataal wordt. Mensen die echt klem zitten, krijgen op een heleboel manieren de boodschap: Jij telt niet mee’, en er zijn zoveel subtiele manieren waarop dat gebeurt, dat we het 9 van de 10 keer niet eens zo goed herkennen (meer daarover op een ander moment).

Ruimte maken met iemand, dat begint bij het geven van de boodschap: ‘Jij doet er wel toe; jij mag er zijn’. Hoe je dat precies moet doen is voor iedereen net weer anders (dat hangt af van de manier waarop iemand omlaag geduwd is), maar in grote lijn kunnen we wel zeggen dat het belangrijk is om iemand niet af te wijzen. Dat weten we allang natuurlijk, want dat staat in elk hulpverlenershandboek op bladzijde 1: ‘Wijs de persoon niet af, maar alleen het gedrag af’. Tot zover denk je misschien nog: ‘Ja, èn?! Vertel es wat nieuws, Goverde!’

De moeilijkheid zit ‘m in 3 dingen:

  1. Iemand ‘niet afwijzen’ of iemand vertellen ‘jij doet er wel toe’ zijn heel verschillende boodschappen. Of het je lukt om ruimte voor die ander te maken, hangt af van waar je de nadruk legt en hoe je dat doet. In hoogcomplexe, hectische en soms zelfs agressieve situaties, kan dat nog vies tegenvallen.
  2. Mensen die echt heel erg klem zitten, kunnen helemaal niet meer verdragen dat hun gedrag afgewezen wordt. De nuance tussen persoon en gedrag valt helemaal weg, dus in hun oren komt er alleen nog afwijzing uit je mond. Beter zeg je dan helemaal niks, wat hen betreft.
  3. Het gedrag van die ander is soms zó niet te pruimen dat het voor onszelf niet meer te verdragen is. We kunnen zelfs fysiek weerstand gaan voelen in het contact met die ander.

Professionals zijn mensen; ook wij hebben moeite om de boodschap ‘Jij doet er niet toe’ te krijgen. Natuurlijk: we zijn gepokt en gemazeld en snappen ‘de problematiek’ en kunnen heus wel es een boze bui verdragen. Maar als we dag-in-dag-uit te maken krijgen met agressie, of intimidatie, of mensen die ons structureel op honderd verschillende manieren vertellen dat we de meest waardeloze persoon op deze aardbol zijn, dan krijgen ook wij het best heel erg zwaar. Dat maakt het werken met ‘onze’ mensen ingewikkeld (de mensen die we bij Stichting Uitblinkers begeleiden). ‘Verschrikkelijk’ zijn we volgens sommigen. Onbetrouwbaar en vol slechte bedoelingen. Om van te walgen en dan ook nog te dom om voor de duvel te dansen. En dan heb ik het nog niet eens over ‘echte’ agressie.

Hoe ga je in vredesnaam om met iemand die op geen enkele manier kan verdragen om aangesproken te worden op zijn gedrag, maar zich wel geroepen voelt om jouw persoon consequent met de grond gelijk te maken? Hoe draag je dat? Nee, het is niet ‘gewoon je werk’, zoals een manager van een grote organisatie laatst zonder enige schaamte uit haar mond liet rollen (iedereen snapt echt dat er bezuinigd moet worden, maar verschuil je niet achter dit soort uitspraken). Als dat echt zo is: waarom wordt een groot deel van onze mensen dan bij andere organisaties uitgekotst of op zijn minst voor gek versleten? En als het echt ‘gewoon je werk’ is, waarom is er dan een beweging gaande die agressie en intimidatie tegen dienstverleners tegen wil gaan? Tot harder straffen aan toe? Ons werk is mensen verder helpen; niet jezelf in de grond laten trappen. Dus: nee; het is niet ‘gewoon je vak’. Het kan zelfs traumatiserend zijn als er gehakt van je persoon gemaakt wordt, ook als dat gebeurt door de mensen die je probeert te helpen. Misschien zelfs juist dan.

Op een constructieve manier omgaan met dit soort interacties is intensief en ingewikkeld. Ruimte maken voor iemand die zo heftig is, en dan tegelijkertijd ook nog eens tòch ook grenzen stellen en het contact gezond houden, is een expertise op zich. Het kan. Ik heb het geleerd, en anderen met mij. Maar het kost wel tot in den treure trainen in het verfijnen van onze houding, en we kunnen het alleen maar door achter de schermen heel veel tijd en energie te steken in het bespreken en reflecteren en onderzoeken en coachen en intervisieën over wat we doen. Ik vind dat persoonlijk een goede investering, want het is nodig om het contact te kunnen maken en vasthouden met mensen die volledig vastgelopen zijn, zonder zelf beschadigd te raken. Het is een voorwaarde om voor die ander de ruimte te creëren zodat hij kan gaan groeien. En dan, als we een beetje ruimte hebben gemaakt – naast nog een aantal andere dingen – helpen we die ander om te leren hoe hij zelf zijn ruimte kan maken en bewaken. Zodat hij ons niet meer nodig heeft. Dat is eigen regie, en juist die ingewikkeldste doelgroep is heel prima in staat om dit te leren. ‘Zelfbepalend gedrag’, zoals we dat in de hulpverlening bijvoorbeeld vaak tegenkomen, is eigenlijk vooral een hele grote behoefte om zelf de regie te mogen nemen.

Momenteel staan de gemeenten onder druk; er wordt meer zorg gevraagd dan er geld is. Daarmee komt ook op juist onze mensen een extra druk: zorg maar dat je groeit, is de stille verwachting. Zorg maar dat je heel rap stappen zet, en anders investeren we alleen nog met een beetje basiszorg om te kunnen pappen en nathouden, want eigenlijk is het toch kansloos. Dat wordt niet zo gezegd, natuurlijk, maar wel ‘dit is nu eenmaal de beperking/ kwetsbaarheid waar hij mee moet leren leven’, en dat komt onder de streep toch eigenlijk op hetzelfde neer. Zo wordt een paardenbloem nooit groter dan een centimeter of 4, en kom je er al helemaal niet achter of je misschien met een eik te maken hebt.

Sommige gemeenten neigen ernaar om alleen nog specialistische begeleiding te vergoeden als er daarnaast ook behandeling plaatsvindt, want alleen dan geldt het als ‘ontwikkelingsgericht’ werken. Ik vind dat getuigen van een gebrek aan kennis van zaken. Ten eerste omdat het betekent dat we uiteindelijk meer geld krijgen voor mensen die enigszins gemotiveerd in een behandeling zijn gestapt en dus blijkbaar al enige ruimte hebben om te groeien. De echt moeilijke fase van op één of andere manier een samenwerking tot stand zien te brengen, is niet (meer) nodig. Voor een begeleidingstraject waarin ik heel veel moet investeren, krijg ik dus minder geld dan voor een traject waar ik met 2 vingers in m’n neus doorheen wandel. Drie keer raden welke groep mensen voor zorgorganisaties het meest interessant is.

Ten tweede snap je dan niet dat behandeling niet persé leidt tot toename van regie en zelfredzaamheid. Behandeling gaat over het opheffen van/ omgaan met een ziekte (stoornis), en dat is een andere focus dan het toewerken naar meer regie. Ik ken mensen die na veelvuldige behandeling nog steeds niet de vaardigheden hebben om zelf regie te voeren (want daar draait behandeling uiteindelijk niet om), en ik ken mensen die door begeleiding zijn geholpen om zelf de regie te leren voeren, ook al is hun psychiatrische ziekte nog volop aanwezig. Behandelingsvragen blijven dan bestaan, maar begeleiding is niet meer nodig. Ik snap de verwarring wel: opheffen of verminderen van ziekte geeft een mens extra ruimte, waardoor er vaak wat in beweging komt; meer zelf regie genomen wordt. Maar dat is meer een prettig bijeffect, dan dat het een resultaat is van gericht werken aan toename van eigen regievaardigheden. Zoals het gemotiveerd raken voor een behandeling een fijn bijeffect is van goede begeleiding aan zorgmijders. Als ieder z’n werk goed doet, kan het elkaar heel mooi aanvullen.

Gemeenten willen zelfredzame burgers die zelf de regie kunnen voeren, en dat vraagt een andere manier van werken dan de focus op ziekte zoals we die van oudsher gewend zijn. Dat is waar de hele kanteling om zou draaien, was destijds de belofte van de transitie. Het is een zoektocht die, in de meeste regio’s waar ik werk, vanwege een door het rijk overhaaste en slecht voorbereidde systeemwijziging, nog heel erg in de kinderschoenen staat. Ik hoop dat er ergens onderweg het besef gaat groeien dat ‘begeleiding naar eigen regie’ iets fundamenteels anders is dan ‘behandeling van ziekte’ en dat ‘ontwikkelingsgericht’ gaat om gericht laten groeien van krachten en mogelijkheden – wat veel meer is dan het slechts verminderen van van ziektesymptomen. Zodat de investering van onze hele schaarse middelen in het sociale domein nog wat effectiever ingezet kunnen worden.

Vond je dit interessant? Geef je op om Updates te ontvangen van nieuwe berichten! Dat kun je doen door aan de linkerkant je emailadres en je naam in te vullen.

Als psychiatrisch verpleegkundige heeft Maartje Goverde de methode Interactiekracht ontwikkeld om mensen met ingewikkeld gedrag effectiever te kunnen steunen op hun reis naar een volwaardig leven. Inmiddels voert ze campagne voor een hoopvolle toekomst voor mensen die hun vertrouwen zijn verloren. Ze is bestuurder van Stichting Uitblinkers, welke is opgericht als onderdeel van haar expeditie naar een nieuwe manier van hulpverlenen, en liefst ook naar een nieuwe maatschappij; eentje waarin iedereen meetelt. Het boek ‘Interactiekracht’ is in de maak. In de loop van 2019 zal gestart worden met scholing en training van hulpverleners. Daarnaast coacht Maartje vanuit Interactiekracht ook professionals in de zorg, leidinggevenden en mantelzorgers. Maartje is te volgen via LinkedIn (Maartje Goverde ), twitter (@MaartjeGoverde), facebook (Interactiekracht) en via deze blog.

 

6 reacties op Ontwikkelingsgericht werken

  • Miep Baltussen

    Helder verhaal!

  • Goed en helder stuk, omdat ik als hulpverlener door de gemeente (WMO) klem ben gezet en daarnaast mensen uit hun beklemmende situatie help. Ook ik weet dat gemeenten ook klem zitten, maar ben boos dat het niet opgelost wordt.

    • Maartje

      Het zou zo fijn zijn om wat eerlijker naar elkaar te kunnen zijn zodat dingen inderdaad opgelost kunnen worden. Iedereen snapt de knelpunten maar doen alsof het over andere dingen gaat maakt je klein en machteloos. Het begint bij elkaar begrijpen, maar daar gaat het vaak als mis, helaas. Onder druk van alle verschillende belangen wordt er niet goed meer geluisterd.

  • Jan Kop

    Meer dan uitstekende invalshoek!!!

Reageren